Borne, Oude Kerk

   
   

Het Holtgräve-orgel in Borne

   
   
In 1841 werd in de Oude Stephanuskerk te Borne voor de Nederduits gereformeerde gemeente, later Ned. Herv. Kerk, een nieuw orgel gebouwd door Johann Heinrich Holtgräve, geboren in 1798 te Westercappeln bij Osnabrück in Duitsland.
Typerend voor de orgels van Holtgräve is dat deze vanaf de zijkant worden bespeeld (op de twee grootste orgels na) en de opvallende hoge onderkas. Dit is ook duidelijk te zien in de Bornse Oude Kerk. Orgeldeskundigen zijn in het verleden wel eens op zoek geweest, of Holtgräve
niet gedeeltelijk het Schnitger-pijpwerk had gebruikt, zoals hij dat deed in de Deventer Bergkerk. Ze kwamen daarvoor naar Ruurlo en Borne. In Ruurlo bleek dat inderdaad het geval, terwijl in Borne het pijpmateriaal, door restauraties tussen 1841 en 1942 zwaar verminkt was.
Wat betreft contract, bestek, dispositie en gebruikte materialen van het door Holtgräve geleverde orgel in 1841 te Borne, is niets in het Bornse kerkarchief te vinden.
De heer G.W. Jansen uit Utrecht, van 1940-1947 organist in de Oude Kerk te Borne, was in de tweede helft van de 20e eeuw in het Provinciaal archief te Zwolle bezig met een genealogisch onderzoek. Hierbij raadpleegde hij ook het archief van de familie Dikkers en toen bleek een zekere Gerardus Johannes Otto Dorus Dikkers (1782-1852), meester in de rechten, veel functies te hebben bekleed, waaronder vanaf 1829 president kerkmeester van de Nederduits Hervormde Kerk te Borne.
   
Uit dit archief kwam nu de volledige aanbesteding, bestek, contract en te gebruiken materialen van J.H. Holtgräve aan het licht, opgemaakt 10 oktober 1837. In het bestek is inderdaad aangegeven welk materiaal hij wilde gebruiken uit het Deventer orgel. Holtgräve heeft het orgel in 1841 afgeleverd, geplaatst en opgesteld in de balustrade van een balkon met één handklavier en aangehangen pedaal. Het had tien registers, te weten: Prestant 8 vt, Holpijp 8 vt, Fluit travers 8 vt discant Octaaf 4 vt, Roerfluit 4 vt, Quint 3 vt, Octaaf 2 vt, Fluit 2 vt, Mixtuur 2 vt III-IV sterk, Trompet 8 vt discant, Trompet 8 vt baskant, tremulant, ventiel en afsluiting.
Aan het eind van de 19e of het begin van de 20e eeuw werd het instrument gewijzigd door de firma Haupt uit Ostercappeln bij Osnabrück, die het orgel in onderhoud had. Er werd een zelfstandig pedaal aangebracht met drie stemmen, enig pijpwerk en registers worden vervangen. Het geheel werd aangepast aan de toen geldende klankkleur. De dispositie werd: Prestant 8 vt, Concertfluit 8 vt, Octaaf 4 vt, Quint 3 vt, Fluit 4 vt, Octaaf 2 vt, Aeoline 8 vt, Mixtuur 2-3 sterk, Gamba 8 vt (op aparte lade), Trompet 8 vt, Pedaal: Subbas 16 vt, Violon 8 vt, Bazuin 16 vt, tremulant, pedaalkoppel.
Vanaf die tijd tot begin 1960 gebeurde er verder niets aan het orgel. De kerk niet kapitaalkrachtig en zag geen kans om een restauratie te financieren, totdat men contact kreeg met orgelbouwer Koch uit Apeldoorn, die het goedkoop kon klaarmaken.

En zo brak in 1962 het absolute dieptepunt in de geschiedenis van het Holtgräve-orgel aan. De firma Koch verbouwde het tot een tweeklaviers-orgel met vrij pedaal. De mechanische tractuur werd vervangen door een elektrische. De speeltafel verhuisde van de zijkant naar de voorkant. De oude orgelgalerij werd afgebroken en het instrument kreeg een plaats op de begane grond. De dispositie werd nu:
Manuaal I: Prestant 8 vt, Holpijp 8 vt, Octaaf 4 vt, Quint 3 vt, Mixtuur 2-3 sterk, Trompet 8 vt, Manuaal II: Quintadeen 8 vt, Aeoline 8 vt, Fluit 4 vt, Octaaf 2 vt. Pedaal: Subbas 16 vt.
Verder de gebruikelijke koppels en Tremulant op manuaal II. Bij de restauratie van het kerkinterieur in 1973 moest het orgel worden afgebroken. Nadien is het weer opgebouwd, doch niet gerestaureerd. Wel is het pedaal uitgebreid met een Gedekt 8 vt en is om praktische redenen de speeltafel weer naar de zijkant verplaatst. De Trompet 8 vt werd vernieuwd.
   

   
   
In 1976 werd door de heer A. Slijkhuis, organist van de Oude Kerk van 1968 tot 1988, pogingen ondernomen om bij de kerkvoogdij begrip te krijgen voor de slechte toestand van het orgel na de ombouw van 1962. Na herhaaldelijk aandringen werd in 1977 door de kerkvoogdij besloten dat A. Slijkhuis, organist Oude Kerk en E.J. Faber, organist Nieuwe Kerk te Borne toestemming krijgen een orgelcommissie op te richten, met
als taak wegen te vinden voor de financiering van de restauratie.
Het lukte om een enthousiaste orgelcommissie van 9 personen, inclusief beide genoemde organisten, samen te stellen. Als adviseur werd W.H. Zwart aangesteld. In enkele jaren werd ca. ƒ140.000 ingezameld, er kwamen plannen voor restauratie en orgelbouwer Vierdag uit Enschede kreeg de opdracht deze uit te voeren. Om te beginnen restaureerde Vierdag in 1979 het Steinmann & Vierdag orgel in de Nieuwe Kerk in Borne.
Toen was het Holtgräve-orgel in de Oude Kerk aan de beurt. Een groot karwei omdat het de wens van orgelcommissie en adviseur was het geheel zoveel mogelijk te restaureren in de geest van Holtgräve wat betreft klank en tractuur.
Orgelkas, front en vier van de tien registers waren nog van Holtgräve. In november 1981 werd het orgel afgebroken en getransporteerd naar de werkplaats van de firma Vierdag te Enschede. Grote problemen ontstonden toen medio 1982 de firma Vierdag failliet ging en het orgel in de werkplaats van Vierdag in Enschede stond.
Via een landelijk invloedrijke deskundige slaagde men erin om, op basis van het oorspronkelijke plan, het orgel te laten restaureren door orgelbouwer Slooff in Ouderkerk a/d IJssel. De oorspronkelijke offerte werd door de firma Slooff overgenomen.
 
   
Begin 1982 was al een aanvang gemaakt met de bouw van balkon en balustrade, waarop het orgel moest komen te staan, zoals dat ook was vóór 1962. Deze nieuwe galerij is ontworpen naar richtlijnen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Opbouw van de galerij, restauratie van de bestaande orgelkas van Holtgräve, het maken van de nieuwe pedaalkas zijn in eigen beheer belangeloos door enige commissieleden uitgevoerd.
Eind 1982 kon orgelbouwer Slooff het instrument opbouwen en intoneren. Adviseur en orgelbouwer hebben er vanaf het begin naar gestreefd, met gebruikmaking van het schaarse pijpwerk dat nog van Holtgräve was, een dispositie samen te stellen, waarbij het klankbeeld van de oorspronkelijke bouwer zo goed mogelijk zou worden benaderd. Het pijpwerk van het orgel in Ruurlo (1840) diende daarbij als vergelijkingsmateriaal. De orgelkas stond in 1841 in de balustrade van het balkon, maar werd nu iets naar achteren geplaatst. Op zaterdag 23 april 1983 werd het vernieuwde orgel in gebruik genomen.
   

   

Tekst en foto's: © E.J. Faber

   
De dispositie:  
Hoofdwerk:
Prestant 8 *
Roerfluit 8
Octaaf 4 *
Fluit 4
Quint 3 *
Octaaf 2
Mixtuur 3 st.
Trompet 8
Onderpositief:
Holpijp 8 *
Quintadeen 8
Roerfluit 4
Nasard 3
Woudfluit 2
Terts 1 3/5 (g0)
Tremulant
 
Pedaal:
Subbas 16
Octaaf 8


3 koppels


*: pijpwerk van Holtgräve
   
   

Home
Terug naar vorige pagina / Back to last page / Zurück